1. Home
  2.   MIRT 2012
  3.   1 Nationaal
  4. Actueel beleid van het Rijk in het ruimtelijk domein

Actueel beleid van het Rijk in het ruimtelijk domein

Het MIRT – en de daarbij horende projecten en programma’s – kan niet los gezien worden van de actuele beleidscontext. Door het aantreden van de huidige regering zijn er verschillende, voor dit boek relevante ontwikkelingen te noemen. De belangrijkste daarvan worden hieronder kort beschreven.

Samenvoeging van departementen

De ministeries van VenW, VROM, LNV en EZ zijn anders ingedeeld door het kabinet Rutte. Voormalig VenW en een deel van voormalig VROM zijn samengevoegd tot het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). De departementen van voormalig LNV en voormalig EZ zijn samengevoegd tot het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) en delen van WWI zijn ondergebracht bij het ministerie van BZK. Gevolg is dat nu 3 in plaats van 4 departementen bij het MIRT betrokken zijn.

Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De ontwerp-SVIR is een actualisatie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. De verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen, onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. Ook de oprichting van het ministerie van Infrastructuur en Milieu vraagt om een verdere integratie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. De structuurvisie geeft hier een nieuw, integraal kader voor op rijksniveau en is daarmee de ’kapstok’ voor bestaand en nieuw beleid met ruimtelijke consequenties.

De ontwerp-SVIR beoogt een concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig Nederland. De hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor de middellange termijn (2020/2028) daartoe zijn:

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland.
  • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat.
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.        

In de ontwerp-SVIR worden aanvullend op de hoofddoelen, nationale belangen benoemd. De rijksdoelen en nationale belangen zijn gebiedsgericht vertaald naar opgaven per MIRT-regio.

Decentralisatie

‘Zo dicht mogelijk bij de burger’ is het uitgangspunt van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschappen worden daarom aan de provincies overgelaten.

In het ruimtelijk domein zullen beleid en uitvoering voor een nog groter deel dan voorheen de verantwoordelijkheid worden van provincies en gemeenten.

Het Rijk is verantwoordelijk voor onderwerpen van nationaal belang. In de SVIR worden de (13) nationale belangen toegelicht. De decentralisatie van het beleid gaat gepaard met de decentralisatie van middelen en projecten. Het beleid voor Nationale Landschappen, bufferzones en Recreatie om de Stad wordt in lijn met het Regeerakkoord beëindigd. Het nog resterende deel van de opgave wordt meegenomen in de decentralisatie van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG). Het overleg over de decentralisatie van het ILG tussen Rijk en provincies is nog niet afgerond. Dit betekent ook dat de verantwoordelijkheid over enkele ruimtelijke projecten zal gaan verschuiven naar de provincies. Voor enkele concrete projecten is de verantwoordelijkheid al aan de provincies overgedragen. Deze projecten vindt u dan ook niet meer terug in het MIRT projectenboek omdat er geen directe rijksfinanciering is. Bijgaande tabel geeft een overzicht van de reeds gedecentraliseerde projecten met het te decentraliseren bedrag.

De in het Regeerakkoord aangekondigde kerntaak van decentrale overheden voor regionaal-economisch beleid brengt met zich mee dat de regeling ‘Pieken in de Delta’ die liep van 2006 tot en met 2010, niet wordt verlengd. In het ‘Convenant bedrijventerreinen 2010/2020’ tussen Rijk, IPO en VNG uit 2009 zijn de rijksmiddelen tot en met 2013 reeds gedecentraliseerd naar provincies. Na 2013 zet het Rijk geen middelen meer in voor herstructurering van bedrijventerreinen. De projecten in het kader van Nota Ruimte, BIRK en Sterke Regio’s worden waar mogelijk gedecentraliseerd naar provincies en gemeenten conform bijlage 1c bij de brief ‘Prioritering investeringen mobiliteit en water’ (TK 32500-A nr 83). Bij een aantal projecten wordt het moment van decentralisatie nog nader bepaald. Deze projecten zijn nog als projectblad in dit boek opgenomen.

Verstedelijking

Met uitzondering van de Noord- en de Zuidvleugel, wordt de programmering van verstedelijking overgelaten aan provincies en (samenwerkende) gemeenten. De (samenwerkende) gemeenten zorgen voor de (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering – binnen de provinciale kaders – en uitvoering van de woningbouwprogramma’s. Vraaggericht programmeren en realiseren door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en om krimpregio’s leefbaar te houden. Waar samenwerking tussen gemeenten uitblijft, stimuleren provincies actief dat de samenwerking alsnog tot stand komt. Provincies voeren – rekening houdend met de rijksdoelstellingen – de regie over de integratie en afweging van ruimtelijke opgaven van (boven)regionaal belang. Het Rijk benoemt de rijksdoelstellingen gericht op een goed werkende woningmarkt in Nederland: de zorg voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. Daarbij moet ook meer ruimte worden geboden voor kleinschalige natuurlijke groei, het voorzien in de eigen woningbehoefte, (collectief ) particulier opdrachtgeverschap en meegroei-, mantel- en meergeneratiewoningen. Bij het voorzien in de woningbehoefte is van belang dat het aanbod ook in kwalitatieve zin aansluit op de vraag.

In de Noord- en Zuidvleugel maakt het Rijk afspraken met provincies en gemeenten over de programmering van verstedelijking. In deze stedelijke regio’s worden de bestaande verstedelijkingsafspraken onderdeel van de integrale aanpak voor deze gebieden. In de andere regio’s is er geen directe rijksbetrokkenheid meer bij de woningbouwprogrammering.

Aangezien de realisatie van de rijksdoelstellingen in regio’s met een gespannen of zeer ontspannen woningmarkt complex is, ondersteunt het Rijk de betreffende gemeenten en provincies actief door middel van kennis, experimenten, het uitwerken van nieuwe verdienmodellen en het aanpassen dan wel wegnemen van belemmerende regelgeving. Het Rijk zet, samen met de decentrale overheden, de interbestuurlijke samenwerking bij de aanpak van de gevolgen van bevolkingsdaling voort en maakt (in die gevallen waarin de noodzaak is aangetoond) regelgeving ’krimpbestendig’.

Herijking EHS

Het kabinet is in overleg met de provincies over een herijking van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het beheer en de afronding van deze herijkte EHS wordt in 2012 met het Investeringsbudget Landelijk gebied (ILG) gedecentraliseerd naar de provincies. De rol van het Rijk beperkt zich vervolgens tot het stellen van kaders en het afleggen van verantwoording op grond van internationale en Europese verplichtingen, de strategische nationale ruimtelijke planning en de aansturing van uitvoerende diensten.

Beleidsbrief investeringen

Op basis van de beleidsambities uit de ontwerp-SVIR worden duidelijke investeringskeuzes gemaakt voor mobiliteit en water binnen het Infrastructuurfonds.

Om de beleidsambities van de ontwerp-SVIR te realiseren, is besloten dat de komende jaren de lopende MIRT-programmering wordt verlengd tot 2028 (in plaats van 2020). Dit is opgenomen in de brief ‘Prioritering investeringen mobiliteit en water’. De fasering van het lopende programma wordt op onderdelen aangepast, waarbij de verlenging van het Infrastructuurfonds ten dele is ingezet. De rest van de beperkte investeringsruimte wordt ingezet voor nieuwe mobiliteits- en waterprojecten en beheer en onderhoud. 
Er ligt voor vele miljarden aan nieuwe projectwensen voor mobiliteit (onder meer uit de gebiedsagenda’s en de motie De Rouwe (TK 32500XII, nr. 57). Dit vraagt om prioritering, aangezien de investeringsruimte tot en met 2028 beperkt is. Voor investeringen in mobiliteit ligt de prioriteit conform het Regeerakkoord bij mainports, brainports en greenports en hun achterlandverbindingen.

Met de bestuurlijke partners in het waterdomein zijn in het Bestuursakkoord Water afspraken gemaakt over doelmatiger waterbeheer en de structurele financiering van het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Na 2020 worden, met het instellen van het Deltafonds, structureel middelen voor investeringen in water beschikbaar gesteld. De komende jaren wordt gezorgd voor voldoende middelen voor beheer en onderhoud aan de rijksinfrastructuur. 
Voorgenomen wordt om meer dan de helft van de totale onderhoudsproblematiek tot en met 2020 in die periode op te lossen. In de periode 2021 tot en met 2028 worden voldoende middelen gereserveerd voor regulier beheer en onderhoud en voor vervanging en renovatie.

Tot slot wordt een forse bijdrage geleverd aan de ambitie van dit kabinet om de overheidsfinanciën gezond te maken door te bezuinigen op de apparaat- en programmabudgetten van zowel de infrastructuur- en milieubegroting als de begroting van het Infrastructuurfonds.

Deltaprogramma

Met het Deltaprogramma wordt nuchter en voortvarend gewerkt aan de bescherming van ons land tegen hoog water en het op orde houden van de zoetwatervoorziening. Jaarlijks wordt, met de rijksbegroting, de voortgang van het werk aan de Delta vastgelegd. De juridische grondslag is beschreven in de ontwerp Deltawet. Op 28 juni 2011 heeft de Tweede Kamer met het wetsvoorstel ingestemd. Later zal de Eerste Kamer het wetsvoorstel behandelen.

De tweede rapportage over het Deltaprogramma, het DP2012, is tot stand gekomen onder regie en op voorstel van de deltacommissaris. Rijk, regio, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven hebben er gezamenlijk aan gewerkt. Het DP2012 is vastgesteld door het kabinet en bevat de opgaven op het gebied van waterveiligheid en zoetwatervoorziening en de conclusies die daar nu al uit getrokken kunnen worden. Via regionale en nationale analyses is dit jaar bijvoorbeeld de problematiek van zoetwater en droogte scherp in beeld gebracht. Tot 2015 ligt de nadruk in het Deltaprogramma, naast de lopende programma’s en projecten, op de deltabeslissingen. Deze, door de politiek te nemen beslissingen, zijn bepalend voor de toekomst van onze delta. Vanuit de analyses van de opgaven in het DP2012, zal in DP2013 het verkennen van mogelijke oplossingsrichtingen centraal staan. Deze worden vervolgens uitgewerkt in voorkeursstrategieën in het DP2014 en tot slot leiden tot voorstellen voor de deltabeslissingen in het DP2015. De deltabeslissingen geven richting aan het werk vanaf 2015: de deltawerken van de toekomst.

Alle op te starten uitvoeringsgerichte activiteiten binnen het Deltaprogramma nemen de spelregels en handreikingen van het MIRT als uitgangspunt en zijn ook opgenomen in het MIRT Projectenboek.

Beter Benutten

Nederland gaat de komende jaren nog innovatiever om met het benutten van de infrastructuur. Een efficiënte benutting is nodig voor een goede doorstroming op de weg, het spoor en het water. Het Rijk lanceert het programma Beter Benutten, waarin tal van maatregelen zijn opgenomen. Voorbeelden zijn het ruimer openstellen van spitsstroken en de introductie van intelligente transportsystemen, afspraken met werkgevers om het woon-werkverkeer terug te dringen en uitbreiding van het aantal fietsenstallingen bij stations.

Met het programma Beter Benutten wordt een optimale bereikbaarheid voor burgers en bedrijven beoogd door een betere spreiding over de dag in het gebruik van het netwerk en het optimaliseren van beschikbare capaciteit. Hierbij wordt samengewerkt tussen het Rijk, regionale overheden en bedrijfsleven in de regio’s Amsterdam, Rotterdam, Haaglanden, Utrecht, Brabant, Arnhem Nijmegen en Maastricht. Daartoe worden gebiedspakketten in de regio’s opgesteld, alsmede overkoepelende landelijke maatregelen.

Het programma Beter Benutten beoogt tevens een reductie van de files met 20 tot 30% op specifieke trajecten waar de spitsproblematiek zich het meeste voordoet. Daarover zijn afspraken gemaakt met regionale overheden en bedrijfsleven. Op spoorgebied is het doel om de stijgende vraag te kunnen accommoderen van een gemiddelde groei van 5% per jaar van het aantal reizigerskilometers op de PHS-corridors en de spitsdruk op het spoor beter te verdelen over de dag om zo het reizigerscomfort te verbeteren.

In 2011 worden de gebiedspakketten in het kader van het MIRT proces vastgesteld en worden de nationale maatregelen opgesteld. Vanaf 2012 worden de maatregelen en pakketten uitgerold, uitgevoerd en gemonitord. Voor het programma Beter Benutten wordt tot en met 2023 € 794 mln uitgetrokken, waarvan tot en met 2020 € 544 mln.

Topsectoren

Nederland moet de plek zijn waar ondernemers groeien en vernieuwen, waar kennis stroomt en waar duurzame oplossingen worden ontwikkeld. Hiertoe moet er meer ruimte voor ondernemers komen, minder specifieke subsidies en meer lastenverlichting en ruimte voor een sectorale aanpak met vraagsturing vanuit het bedrijfsleven. Naast het generieke bedrijfslevenbeleid – dat zich richt op ondernemerschap, kennis en innovatie, goede randvoorwaarden, duurzaamheid, onderwijs en arbeidsmarkt en op het buitenland – kiest het kabinet voor de inzet op negen (top)sectoren. Deze topsectoren zijn water, agrofood, tuinbouw, hightech, life sciences, chemie, energie, logistiek, creatieve industrie. Daarnaast is het verankeren en aantrekken van hoofdkantoren een speerpunt en wordt er ook een link gelegd met de EU en regionaal beleid. Deze topsectoren concentreren zich veelal in de stedelijke regio’s rond de mainports Rotterdam en Schiphol, de Brainport Zuid Oost Nederland, de omliggende greenports en in de Valley’s, zoals Food Valley in Wageningen, Energy Valley in Groningen, Maintenance Valley in West-midden Brabant en de Nanotechnologie in Twente en Delft.

Vereenvoudiging wet- en regelgeving

Vereenvoudiging van wet- en regelgeving is nodig voor een zorgvuldig besluitvormingsproces om zodoende ook gerichter en sneller te kunnen investeren in projecten. De vereenvoudiging van wet- en regelgeving wordt op verschillende manieren ingevuld. Deze vereenvoudiging raakt de besluitvorming van ruimtelijke projecten en is daarmee relevant voor dit projectenboek. Zo stelt het kabinet voor de Tracéwet te wijzigen en wordt onder de noemer van Eenvoudig Beter het omgevingsrecht gebundeld en vereenvoudigd en wordt de Crisis- en herstelwet (Chw) permanent gemaakt.

Tracéwet

Bij rijksprojecten werkt het Rijk volgens de werkwijze Sneller en Beter. Deze werkwijze moet door het vroegtijdige betrekken van partijen (zoals decentrale overheden) leiden tot een krachtige besluitvorming voor zowel infrastructuurprojecten als gebiedsontwikkelingsprojecten. Dit houdt in dat bij een project na een startbeslissing binnen twee jaar een MIRT-verkenning wordt afgerond met een voorkeursbeslissing, waarbij bij de start van de verkenning al helder moet zijn of er zicht is op financiering voor de uitvoering. In de verkenning wordt tevens aandacht besteed aan participatie (breed en vroegtijdig) en trechtering naar een voorkeursbeslissing. Bij een positieve voorkeursbeslissing moet de planuitwerking binnen twee jaar leiden tot een besluit in het kader van de Tracéwet en/of de Waterwet. Versnelling en verbetering van het besluitvormingsproces vraagt in deze fase om vroegtijdige inschakeling van de markt, het voorbereiden van de oplevertoets en de participatie van direct belanghebbenden. Zo ontstaat er een juridisch solide besluit. Na het besluit kan begonnen worden met de uitvoering. Voor de verankering van deze processtappen wordt de Tracéwet herzien. De Tweede Kamer heeft voor het zomerreces 2011 ingestemd met het voorstel tot wijziging van de Tracéwet. Het wetsvoorstel zal nu behandeld worden door de Eerste Kamer.

Eenvoudig Beter

Er is behoefte aan een samenhangend en overzichtelijk stelsel van het omgevingsrecht. Het kabinet kiest daarom voor bundeling, vereenvoudiging, modernisering en versobering over de volle breedte van het omgevingsrecht met als resultaat één omgevingswet. Met de Omgevingswet wil het kabinet de wettelijke kaders voor burgers, ondernemers en overheden inzichtelijker maken en de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving beheersbaar maken.

De nieuwe wet regelt daartoe met prioriteit: het versnellen en verbeteren van besluitvorming in het fysieke domein (Sneller en Beter-aanpak), de integratie van plannen en toetsingskaders, het vergroten van bestuurlijke afwegingsruimte en het doelmatig uitvoeren van onderzoek. Met de inwerkingtreding van de wet worden (delen van ) bestaande wetten ingetrokken. Dit moet leiden tot een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels, wetten en regelingen op het terrein van de fysieke leefomgeving. Het moet eenvoudiger, sneller, minder en beter. In het voorjaar van 2012 zal een eerste wetsvoorstel gereed zijn.

Crisis- en herstelwet

Naast de vernieuwing van het omgevingsrecht wordt de Crisis- en herstelwet (Chw) permanent gemaakt door de delen met een tijdelijke geldingsduur structureel op te nemen in onder andere de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Via de Chw kunnen categorieën van projecten en concreet aangewezen projecten gebruik maken van bepaalde bestuursrechtelijke versnellingen. Projectuitvoeringsbesluiten kunnen het ontwikkelen van woningbouwlocaties versnellen, omdat de ontwikkeling via één besluit kan worden gestart.

Meer informatie

MIRT Projectenboek 2012

Hoofdmenu

Servicemenu