Ga naar hoofdmenu / zoekveld

  1. Home 
  2. MIRT 2012 
  3. Financiële uitwerking 
  4. Financieringsbronnen

Financieringsbronnen

Voor uitgaven in het ruimtelijk domein zijn diverse financieringsbronnen. Allereerst de reguliere begrotingsmiddelen, die gevoed worden door de belastingontvangsten. Daarnaast zijn er middelen beschikbaar uit de Europese Fondsen en bijdragen van derden. Ook kunnen maatregelen worden genomen waarbij (extra) middelen worden gegenereerd. Al deze bronnen worden hieronder toegelicht. De diverse middelen worden op basis van politieke keuzes verdeeld over de diverse begrotingen.

Fonds Economische Structuurversterking (FES)

Een deel van de ruimtelijke investeringen werd tot en met 2010 gefinancierd vanuit het FES. In het Regeerakkoord is vastgelegd dat de belegde ruimte in het FES wordt overgeheveld naar het Infrastructuurfonds, respectievelijk de departementale begrotingen. Dit betekent dat er vanaf 2011 geen MIRT projecten meer uit het FES worden gefinancierd. Reeds gestarte MIRT projecten met FESvoeding worden vanaf 2011 direct gefinancierd uit het Infrastructuurfonds, respectievelijk de departementale begrotingen.

Europese Fondsen

Op de begroting van de Europese Unie (EU) staat als uitgavencategorie de post Structuurfondsen. Deze fondsen zijn bedoeld als aanvulling op het regionale beleid en dienen ter versterking van de sociaal-economische samenhang in de EU. Het gaat hierbij onder andere om het Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en om het Cohesiefonds. Ten behoeve van investeringen in het ruimtelijke domein wordt een beroep gedaan op deze fondsen. Deze fondsen leveren een belangrijke bijdrage aan de EU 2020 Strategie die de EU sterker uit de crisis moet laten komen en drie prioriteiten centraal stelt: slimme groei, duurzame groei en inclusieve groei. Het beleid kent vanaf 2007 drie doelstellingen: (1) Convergentie: gericht op de minst welvarende landen en regio’s, (2) Regionale concurrentiekracht en werkgelegenheid: gericht op alle overige regio’s en (3) Europese territoriale samenwerking: gericht op alle regio’s in de EU.

Nederland komt in aanmerking voor doelstellingen 2 en 3 en ontvangt hiervoor in de periode 2007-2013 in totaal € 1.907 miljoen uit het ESF en het EFRO. Daarvan is € 1.660 miljoen voor doelstelling 2 en € 247 miljoen voor doelstelling 3. In het Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR) is vastgelegd waar Nederland dit geld aan besteedt.

Voor fysieke investeringen in het ruimtelijk domein is doelstelling 2 met de prioriteiten (1) innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie, (2) attractieve regio’s en (3) attractieve steden relevant. In de periode 2007-2013 is € 830 miljoen beschikbaar voor de vier landsdelen. Uitgangspunt is dat minimaal 45% wordt besteed aan MIRT Projectenboek 2012 | 325 326 | Ministerie van IenM - EL&I - BZK de prioriteit innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie. Nederland kan ook een beroep doen op middelen voor de realisatie van het Trans-Europees Transportnetwerk (TEN-T). Dit netwerk wordt van belang geacht voor de versterking van de Europese concurrentiekracht en dus voor het realiseren van de EU 2020 Strategie. De EU draagt in beperkte mate financieel bij. Voor het subsidieprogramma 2007-2013 is voor de EU als geheel circa € 8 miljard beschikbaar. De kosten voor de totstandkoming van de in 2004 gedefinieerde 30 Europese prioritaire projecten zijn echter al op € 415 miljard geraamd. Vanwege het beperkte budget schenkt de Europese Commissie (EC) bij de verdeling met name aandacht aan kritische grensoverschrijdende trajecten en andere belangrijke bottlenecks op de prioritaire corridors. Tevens geeft de EC prioriteit aan de financiering van implementatie van het Europese treinbeveiligingssyteem (ERTMS/ ETCS) en aan projecten op het gebied van Air Traffic Management (ATM), River Information Services (RIS) en Intelligent Transport Systems (ITS) (wegvervoer). In mei 2011 heeft de EC voor de studie naar de nieuwe zeesluis bij IJmuiden € 1,75 miljoen beschikbaar gesteld. De nieuwe zeesluis bij IJmuiden zal er voor zorgen dat de toegang tot de haven van Amsterdam en daarmee ook het TEN-T netwerk aanzienlijk verbeterd wordt. Ook is in de eerste helft van 2011 € 1,5 miljoen beschikbaar gekomen voor de uitbreiding van het spooremplacement Maasvlakte-West in het Rotterdamse havengebied en heeft Brussel € 0,8 miljoen beschikbaar gesteld voor de studie naar een extra Betuweroute-spoor tussen Zevenaar en de Duitse grens. De AIS-transponders voor identificatie in de binnenvaart, een Europees project waar Nederland aan deelneemt, krijgt bijna acht ton subsidie.

Bijdragen van derden

De grootste bijdragen van derden betreffen de bijdragen van decentrale overheden aan ruimtelijke projecten. Op de projectbladen is bij de relevante projecten aangegeven wat de bijdrage van decentrale overheden (en/of bedrijven) is of wordt.

Maatregelen met budgettaire effecten

De overheid kan maatregelen nemen waarbij (extra) middelen worden gegenereerd, die eventueel voor uitgaven in het ruimtelijk fysieke domein kunnen worden ingezet. Deze maatregelen zijn veelal bedoeld om de financiering van infrastructuurprojecten sluitend te krijgen. In de (Ontwerp) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn de volgende maatregelen met de daarbij behorende budgettaire effecten opgenomen: tol, cofinanciering en publiek private samenwerking (PPS).

Tol

Voor potentiële nieuwe verbindingen wordt bekeken wat de mogelijkheden van tolheffing zijn. Uit behoedzaamheid wordt bij de startbeslissing over een tolproject, waarbij het tolrisico door het Rijk wordt gedragen, in de beschikbare investeringsruimte een reservering gemaakt ter grootte van de geraamde tolontvangsten. Op dit moment worden de mogelijkheden voor tolheffing met de markt besproken. Voor twee projecten in het MIRT projectenboek is tolheffing voorzien (A13/16 en ViA15). Ook voor de NWO wordt met marktpartijen de mogelijkheden van tol bekeken. Vervolgvragen over de wijze van inning en de vaststelling van het toltarief worden met de markt uitgewerkt. Hierbij wordt ruimte gehouden voor creativiteit en tegelijkertijd het publieke belang geborgd.

Voorfinanciering / Cofinanciering

Conform het Regeerakkoord kunnen decentrale overheden MIRT-investeringen voorfinancieren mits zij de kosten van deze voorfinanciering volledig dragen. Er kan pas sprake zijn van voorfinanciering als de bekostiging van het project volledig rond is en vastgelegd in bestuurlijke afspraken. Projecten worden in principe op sobere en doelmatige wijze uitgevoerd. Cofinanciering door het Rijk voor inpassingsmaatregelen kan aan de orde zijn indien een dergelijke aanvullende investering maatschappelijk rendabel is. Tevens is een voorwaarde dat voldaan moet worden aan de beslismomenten van het MIRT spelregelkader.

PPS

Een laatste maatregel is het doelmatiger (en mogelijk meer innovatief ) aanbesteden en toepassen van PPS. Met deze maatregel wordt bovenal beoogd efficiencywinst te behalen door het gebruik van bepaalde contractvormen (zoals Design, Build, Finance and Maintain (DBFM)). Ook op andere terreinen waar private financiering voordelen heeft voor de prijs, kwaliteit of benodigde tijd wordt actief gezocht naar de mogelijkheden om PPS in te zetten en deze waar dat zinvol is te benutten. Indien PPS van toepassing is, zal informatie over de betrokkenheid van de markt op de projectbladen opgenomen worden. Dit kabinet heeft in het kader van de rijksbrede bezuinigingen een taakstelling uit hoofde van PPS efficiencywinst op het Infrastructuurfonds gelegd. De toedeling naar concrete projecten kan op de MIRT bladen gevonden worden. Verder wordt ernaar gestreefd extra middelen te genereren en/of een hogere kwaliteit van een project te realiseren door de opbrengsten van gebiedsontwikkeling voor de financiering van nieuwe projecten te gebruiken. De nadruk ligt de komende jaren met name op het creëren van een andere manier van samenwerken tussen markt en overheid. Risicoverdeling neemt hierbij een belangrijke plaats in.

MIRT Projectenboek 2012

Hoofdmenu

Servicemenu