1. Home
  2.   MIRT 2012
  3.   Bijlagen
  4. I Toelichting op het MIRT en de projectbladen

I Toelichting op het MIRT en de projectbladen

Toelichting op het MIRT

Het MIRT kent op dit moment vijf onderdelen die samen waarborgen dat het doel van het MIRT gerealiseerd wordt. Deze vijf zijn (1) de bestuurlijke overleggen tussen Rijk en regio in het voor- en najaar, (2) de in gezamenlijk overleg tussen Rijk en regio opgestelde gebiedsagenda’s, (3) het in 2009 geïntroduceerde MIRT Onderzoek, (4) de Spelregels van het MIRT en (5) het MIRT Projectenboek. Deze vijf onderdelen worden hieronder toegelicht.

Bestuurlijke overleggen MIRT

Het MIRT gaat uit van intensieve samenwerking tussen het Rijk en de decentrale overheden. Om dit te faciliteren is er het bestuurlijk overleg MIRT waarin elk half jaar Rijksinvesteringen en regionale investeringen op elkaar worden afgestemd. Voor het Rijk is het kader voor de prioritering van opgaven en oplossing de (Ontwerp) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de beleidsmix investeren, innoveren en instandhouden.

In het najaarsoverleg ligt het accent op de bespreking van het lopende Rijksinvesteringsprogramma. Aan de hand hiervan worden nadere (financiële) afspraken en, waar nodig, bestuurlijke afspraken gemaakt. Tijdens het voorjaarsoverleg gaat het vooral om het bespreken van de voortgang van de eerder gemaakte afspraken en het agenderen van onderwerpen voor het najaarsoverleg. Om besluitvorming over infrastructuur en ruimtelijke ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen, zitten niet alleen decentrale bestuurders met verkeer en vervoer in hun portefeuille aan tafel, maar ook bestuurders met andere ruimtelijke portefeuilles. De resultaten van de bestuurlijke overleggen MIRT worden per brief aan de Tweede Kamer gemeld en besproken. 

Gebiedsagenda’s

De gebiedsagenda’s vormen de basis voor het bespreken van onderwerpen in de bestuurlijke overleggen MIRT en het maken van concrete (financiële) afspraken daarover in de komende jaren. De gebiedsagenda’s zijn door Rijk en regio gezamenlijk opgesteld en bevatten dan ook door Rijk en regio gedeelde visies en opgaven. Tegelijkertijd decentraliseert dit nieuwe kabinet taken van het Rijk. In dit kader zijn in de (Ontwerp) Structuurvisie opgaven van nationaal belang scherper benoemd en keuzes gemaakt. Dit zal een doorwerking moeten krijgen in een actualisatie van de gebiedsagenda. Een gebiedsagenda bestaat grosso modo uit twee delen. Deel één beschrijft de visie en ontwikkelrichting van de betreffende regio, inclusief daaruit voortvloeiende majeure opgaven. Het tweede deel betreft de uitwerking van deze opgaven: welke mogelijke programma’s en projecten kunnen nu of in de toekomst bijdragen aan het invullen van de opgaven? De gebiedsagenda’s zelf zijn geen besluit om programma’s of projecten tot uitvoering te brengen. 

De gebiedsagenda heeft een dynamisch karakter, hoewel het eerste deel vastgesteld is en voor langere tijd blijft staan. Het tweede deel met de programmatische uitwerking daarentegen zal regelmatig moeten worden geactualiseerd. Aanscherping en aanvulling is permanent noodzakelijk om de gebiedsagenda een blijvende functie in het besluitvormingsproces te geven. Tijdens de bestuurlijke overleggen MIRT in het najaar van 2009 is de eerste generatie gebiedsagenda’s vastgesteld. Het gaat in totaal om acht gebiedsagenda’s: Noordwest-Nederland, Utrecht, Zuidvleugel, Zuidwestelijke Delta, Brabant, Limburg, Oost-Nederland en Noord-Nederland. 

MIRT Onderzoek

Een MIRT Onderzoek heeft betrekking op opgaven en/of ontwikkelingen die spelen in het ruimtelijk domein en van rijksbelang zijn of mogelijk rijksbetrokkenheid vereisen. Er worden twee typen MIRT Onderzoeken onderscheiden. Het eerste type onderzoek is gericht op ruimtelijke opgaven en/of ontwikkelrichtingen op de middellange of lange termijn die mogelijk rijksbetrokkenheid vereisen. Het andere type onderzoek heeft betrekking op het concretiseren en uitvoeringsgereed maken van reeds lopende gebiedsontwikkelingsprojecten. Voor beide typen MIRT Onderzoek geldt dat de uitkomst leidt tot een aanscherping van de gebiedsagenda ten aanzien van de betreffende opgave of ontwikkelrichting. Ook kan de uitkomst aanleiding zijn om (bestuurlijke) afspraken tussen de verschillende betrokken partijen te maken met betrekking tot het vervolgproces, of over een ruimtelijke reservering of over een aanpassing van sectorale wet- en regelgeving en normering. Rijk dan wel Rijk en regio gezamenlijk beslissen of een MIRT Onderzoek nodig is. De afspraak om een MIRT Onderzoek te starten wordt gemaakt in het bestuurlijk overleg MIRT dan wel het Nationaal Bestuurlijk Overleg Deltaprogramma. 

MIRT Spelregels

Het doel van de Spelregels van het MIRT is om het proces te schetsen dat een MIRT project/programma doorloopt, zodat de interne procesgang van de besluitvorming bij het Rijk voor een ieder navolgbaar is. Daartoe bevatten de spelregels een beschrijving van de (inhoudelijke en financiële) vereisten en de noodzakelijke (bestuurlijke) afstemming die voorafgaand aan ieder beslismoment moet plaatsvinden tussen de departementen, decentrale overheden en/of andere betrokkenen. 
De Spelregels van het MIRT zijn sinds 1 januari 2009 van toepassing op nieuw te starten MIRT projecten/programma’s in het ruimtelijk domein. Dit geldt voor projecten/programma’s van IenM voor het hele proces (verkenning, planuitwerking en realisatie). Bij de gebiedsgerichte verkenning worden ook de domeinen van EL&I en BZK meegenomen. De MIRT Spelregels worden geactualiseerd en zullen de MIRT Spelregels uit januari 2009 vervangen.

Er worden drie fasen onderscheiden, te weten: verkenningsfase, planuitwerkingsfase en realisatiefase. Bij het doorlopen van deze drie fasen worden per project de volgende beslismomenten onderscheiden: startbeslissing, voorkeursbeslissing, projectbeslissing en opleveringsbeslissing. De spelregels werken daarbij als een zeef. Er is, uitgezonderd de opleveringsbeslissing, geen automatische doorstroming van een project van de ene naar de volgende fase.
Per fase wordt een expliciete beslissing genomen over het wel of niet (blijven) opnemen van het project in het MIRT. Hoe verder het project in de procedure komt, hoe concreter het project is. Vanaf de planuitwerkingsfase kan integrale gebiedsverkenning worden geknipt in verschillende (deel) projecten. Een gezamenlijke uitvoeringsstrategie moet er dan voor zorgen dat de samenhang op gebiedsniveau bewaakt wordt.

MIRT Projectenboek

Het MIRT Projectenboek wordt jaarlijks als bijstuk bij de begroting van het Infrastructuurfonds uitgebracht en aangeboden aan de Tweede Kamer. Met het boek wordt inzicht gegeven in de achtergrond van ruimtelijke rijksprojecten en -programma’s, de stand van zaken en de planning. Hierdoor is het bruikbaar als naslagwerk voor de voortgang van deze projecten en programma’s. In het MIRT Projectenboek worden investeringsprojecten- en programma’s opgenomen waar sprake is van een ruimtelijke ingreep en waar het Rijk direct financieel bij betrokken is. Dit kan (gedeeltelijke) financiering en aanleg betreffen, maar ook subsidiëring van projecten van decentrale overheden.

Toelichting op de projectbladen

Zoals aangegeven, kiest het kabinet ervoor om in het MIRT (Projectenboek) investeringsprojecten en -programma’s op te nemen waar sprake is van een ruimtelijk fysieke ingreep en waarbij het Rijk direct financieel betrokken is. Dit betekent dat investeringen en financiële stromen waar het Rijk niet direct bij betrokken is, zoals bijvoorbeeld specifieke en gebundelde (doel)uitkeringen, niet opgenomen worden. Vanwege relevante programma-afspraken tussen EL&I en decentrale overheden over de inzet van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) zijn ter informatie wel programmabladen in het MIRT opgenomen voor Ecologische Hoofdstructuur, Stimuleringsregeling duurzame ontwikkeling Glastuinbouw en diverse projectbladen die een bijdrage uit het Nota Ruimtebudget hebben ontvangen. Tevens zijn enkele specifieke subsidieprogramma’s opgenomen.

Per gebied zijn de projecten en programma’s opgenomen in de numerieke volgorde van de Rijksbegroting, dus eerst Infrastructuur en Milieu (hoofdstuk XII) en daarna Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hoofdstuk XIII). De projecten die gefinancierd zijn uit het Infrastructuurfonds (hoofdstuk A) zijn verder geordend per begrotingsartikel van het Infrastructuurfonds. Allereerst zijn de waterkeren en waterbeheren projecten opgenomen (artikel 11) vervolgens hoofdwegen (artikel 12), spoorwegen (artikel 13), regionaal/lokaal (artikel 14) en hoofdvaarwegen (artikel 15).

Per project of programma wordt in aanvulling op de departementale begrotingen meer specifieke beleids- en projectinformatie gegeven. De toelichting per project of programma wordt gegeven aan de hand van een vaste indeling.

Opgave

Beschrijving van de opgave; dit kan zowel een knelpunt/probleem als een kans zijn.

Oplossing

De gekozen oplossing of (mogelijke) oplossingen/onderzoeksvarianten voor het aangegeven knelpunt/probleem, of de wijze waarop de kans benut wordt.

Inpassing

Eventuele grootschalige inpassingsmaatregelen.

Planning

De planning van het project/programma, met aandacht voor de start van de realisatie en de oplevering. Bij verkenningen wordt de planning van de verkenning weergegeven.
Er is ook specifieke aandacht voor het tijdstip van het tracé- of projectbesluit.

Financiën

Het (taakstellende) budget of de (taakstellende) rijksbijdrage. Als dat niet mogelijk is, wordt eventueel een reservering van rijksmiddelen of een raming van de (project)kosten gegeven. De opgenomen budgetten zijn – tenzij expliciet anders vermeld – prijspeil 2011 inclusief BTW. Daar waar naast het taakstellend budget van voormalig VenW ook sprake was van een bijdrage van voormalig VROM, zijn de bedragen nu bij elkaar opgeteld en taakstellend budget IenM geworden. Daar waar sprake was van budgetten van voormalig LNV en EZ is dat nu budget/bijdrage van EL&I. 

Bij de oud-VenW-projecten werden voorheen ook de uitvoeringskosten van Rijkswaterstaat (RWS) gepresenteerd: de Baten-Lasten Dienst Bijdrage (BLD-bijdrage). In de projectenbladen zijn de kosten nu gepresenteerd exclusief de BLD-bijdrage. Wel wordt – waar relevant – aangegeven met hoeveel tolopbrengsten rekening wordt gehouden. Beheer- en onderhoudskosten maken geen deel uit van het gepresenteerde taakstellend budget voor realisatie- en planstudieprojecten. Als het van toepassing is, wordt ook de bijdrage van andere, decentrale, overheden vermeld. 

Tot slot is, waar dit aan de orde is, op projectniveau zichtbaar gemaakt waar taakstellingen uit het Regeerakkoord worden doorgevoerd en wat de omvang hiervan is. 

Politiek/bestuurlijk

Betreft of gaat in op de politiek/bestuurlijke afspraken tussen de ministeries van IenM en EL&I (of hun voorgangers), de Tweede Kamer, decentrale overheden en/of andere partijen.

Uitvoering

De wijze waarop de uitvoering ter hand genomen wordt. Daar waar relevant wordt tevens aangegeven wie verantwoordelijk is voor het project en/of de uitvoering daarvan. Hier wordt indien van toepassing ook beschreven hoe de ‘markt’ betrokken wordt/is bij de projectontwikkeling. De twee belangrijkste instrumenten bij de betrokkenheid van de markt zijn de marktscan en de PPC (Public Private Comparator). De marktscan wordt gebruikt in de verkenningsfase om te bekijken bij welk alternatief samenwerking met de markt de grootste meerwaarde heeft. In de planstudiefase wordt op het voorkeursalternatief de PPC uitgevoerd. Uit de PPC blijkt of samenwerking tussen overheid en markt meerwaarde heeft ten opzichte van het zelf uitvoeren van een project door de overheid. 

Voor voormalig VenW projecten wordt de PPC uitgevoerd als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 

  • de projectkosten bedragen meer dan € 60 miljoen
  • het project is na 2005 overgegaan naar de planstudiefase
  • Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de uitvoering
  • het is geen Beheer- en Onderhoudproject.      

Op basis van de uitkomst van de PPC wordt bepaald of een vorm van publiek private samenwerking (PPS) meerwaarde heeft. Dan wordt gekozen voor een bepaalde contractvorm (DBFM (Design, Build, Finance and Maintain) DBM of DB).

File Top 50

Wanneer een wegenproject een bijdrage levert aan het verminderen of oplossen van een File Top 50 knelpunt, wordt dit aangegeven op het projectblad. 

Projecthistorie en toelichting op de wijzigingen

Toelichting op de wijzigingen met betrekking tot bovengenoemde punten die zich tussen het uitkomen van het vorige en het huidige MIRT Projectenboek – dus in de periode september 2010 tot en met augustus 2011 – hebben voorgedaan. Omdat het MIRT Projectenboek als bijlage bij de Rijksbegroting het jaartal van die begroting draagt, worden de wijzigingen in dit projectenboek ten opzichte van het vorige projectenboek vermeld onder 2012. In ieder geval worden opgenomen wijzigingen in de financiën (zowel kostenstijgingen als -dalingen) toegelicht indien de wijziging meer dan 10% is ten opzichte van de vorige begroting. Wijzigingen in het tijdschema worden in elk geval opgenomen als er sprake is van een versnelling of vertraging van het project met meer dan 1 jaar ten opzichte van de vorige begroting.

MIRT Projectenboek 2012

Hoofdmenu

Servicemenu